Twintig uur bij -20

Ik ben al een tijdje in nationaal park Pyhä-Luosto. Als ik uit mijn huisje stap, loop ik tegen een rots aan. Het is een afgeronde piek die de helft van de tijd in de wolken zit, met daar omheen smeltwatervlaktes en moeras. Als het helder is, kan ik tot in Rusland kijken. Het lijkt dan alsof de wereld alleen gesteente, bos en water is.

Misschien heb ik die -20 toch niet overleefd. Het is alsof ik in het paradijs ben. Geen idee hoe ik daar terecht ben gekomen, maar ik heb gevraagd of ik nog een week kan blijven.

Aan het einde van de week zou het -20 worden. Het leek me leuk om te testen wat mijn slaapzak, matje en ik nou eigenlijk aankonden, dus ik wilde een nachtje bivakkeren. Na het weekend zou de temperatuur naar -30 kelderen, dus om nog een beetje van het warme weer te profiteren, besloot ik niet te lang te wachten. Ik wilde naar een shelter die net buiten het winterwandelgebied ligt (want dat is leuker) maar wel op maar vijf kilometer van het dorp. Als het te koud werd, kon ik inpakken en teruglopen.

Nu zijn er mensen die denken dat ik supergevaarlijke, heldhaftige en risicovolle dingen doe, wat natuurlijk niet waar is. Dus ik wilde eens laten zien hoe mijn extreem risicomijdende voorbereiding voor een nachtje kamperen in de achtertuin eruit ziet.

Ik zal vast het einde verklappen: ik heb het geen twintig uur volgehouden.

Vier dagen voor vertrek ging ik naar de toeristeninformatie. Ik kocht een wandelkaart en vroeg waar het gevaarlijk was, in verband met lawines en open water. Er is nog onbedekt, open water bij -20, vraag me niet hoe dat kan. Ze raadden me aan om naar Oravalampi (eekhoornmeertje) te gaan, want dat klinkt schattig dus kan niet echt gevaarlijk zijn.
‘Ik ga daar zaterdagnacht slapen,’ zei ik.
‘Oké, veel plezier,’ zei de mevrouw achter de balie, die goed kon inschatten wat ik van plan was omdat ze zelf ook dat soort dingen deed.

Het moeras met open water:

En hier zie je hoe dicht het eekhoornmeertje bij het dorp ligt:

De volgende drie dagen maakte ik tochten om te wennen aan de lage temperatuur (het was toen -15) en te verkennen hoe de paden er bij lagen, of er hout bij de shelters was, hoe snel ik afkoelde, wanneer het precies donker werd en hoeveel ik dan nog kon zien.

De dag voor vertrek verzamelde ik kilo’s berkenbast zodat ik snel vuur kon maken. En daarna pakte ik alles in. Twee aanstekers en een firesteel, er moest en zou vuur komen. Een kompas én een kaart én een gps én een telefoon met offline kaart van het gebied. GPS-alarm (SPOT). Warme, droge sokken voor na het wandelen. Warme, droge sokken voor in de slaapzak. Reservebatterijen voor mijn gps, gps-tracker en hoofdlamp. Alsof ik naar de Noordpool ging.

Ik schreef een briefje voor de vrouw waarvan ik het huisje huurde met mijn contactgegevens en de website waar ze mijn gps-tracker kon volgen.

De volgende dag offerde ik een rendier aan de goden en ging ik op pad.

Al tijdens het lopen merkte ik dat -20 niet hetzelfde is als -15. Voor het eerst sinds ik onderweg ben, moest ik mijn hele gezicht bedekken omdat mijn neus en wangen bevroren. Over een witte vlakte liep ik het driehonderd jaar oude dennenbos in, de shelter stond halverwege de berghelling. Zodra ik wat hoger kwam, zag ik de zon in een soort rozige waas in het moeras wegzakken.

Hier zie je hoe de adem rond mijn neus en mond bevriest omdat ik geen superfancy gezichtsmasker heb:

Tegen het einde van de middag was ik bij het eekhoornmeertje. Er waren geen eekhoorns maar wel fijngehakte blokken hout, dus het vuur brandde in tien minuten. Daarna deed ik gedisciplineerd de hele routine van omkleden, sneeuw smelten, water koken, eten maken, afwassen (of wat daar voor door moet gaan), nog een keer sneeuw smelten, water koken, en thee drinken, wat ongeveer twee uur in beslag neemt.

Het vuur hield me een paar uur warm. Het was helder, bijna volle maan. De sneeuw op het meertje schitterde achter de vlammen. Ik voelde me net Henry David Thoreau (een natuurfreak en filosoof) die bij zijn Walden Pond (het meertje bij zijn hut) zat te mediteren. Met een schep hakte ik een bankje in de sneeuw en ik ging er (op mijn isolatiematje) eens goed voor zitten.

Onder deze laag sneeuw ligt Oravalampi, het eekhoornmeertje:

Het meer is een soort diepe put in een rotswand van kwartsiet/siltsteen/conglomeraat op de plek waar tegen het einde van de ijstijd een smeltwatergeul uitstroomde in een spoelvlakte. Maar ik heb nog nergens kunnen vinden hoe die kleine put daar komt. Liep het smeltwater hier tegen een obstakel op? Denderde het water van een al aanwezige rotswand omlaag? Is er een ruimteschip in geland? Wie het weet, mag het zeggen.

Er was één groot nadeel aan mijn kampeerplek dat ik niet goed had ingeschat. Ik zat in de wind. En -20 met wind voelt al snel als -30. Het was niet mogelijk om het vuur te verplaatsen of een windscherm te maken. Aan het begin van de avond, toen ik bij het vuur zat te chillen, viel het wel mee, maar ’s nachts begon het harder te waaien.

In de shelter kon ik met een groot deel van mijn lichaam in de luwte liggen. Ik hoopte dat mijn bivakzak mijn benen en voeten een beetje warm zou houden. Ik had mijn tent voor de opening kunnen hangen, of ín mijn tent kunnen gaan liggen, maar dan kon ik niet naar de maan en de sterren en de eekhoorns kijken. Als ik op trektocht was en geen back-up huisje in Pyhä had, dan had ik dat natuurlijk wel gedaan.

Ik vroeg me wel af: was het warmer geweest als ik in mijn bivakzak achter de shelter in de sneeuw was gaan liggen? Ik vermoed van wel. Wie het weet, mag het wederom zeggen.

Een volgende inschattingsfout: ik had ‘s middags voor vertrek een hele grote warme maaltijd gegeten, dus ik dacht dat ik ‘s avonds wel met een kleine warme maaltijd toe kon. Ik vergeet steeds hoeveel energie het kost om te wandelen met een rugzak en warm te blijven. Dus dat was niet genoeg. In mijn slaapzak lag ik mueslirepen te eten en aan patat met frikandellen te denken.

De eerste vier uur waren oké. Mijn handen en voeten waren warm, dus met mijn kerntemperatuur zat het ook wel goed. Toch kwam er niet veel van slapen. De zwakste schakel was mijn matje, het was alsof ik op een koude vloer lag. Ik wist wel dat het geen wintermatje was, maar het jaar ervoor in Noorwegen was het allemaal prima gegaan en ik wilde niet weer een nieuwe kopen. Na een tijdje draaien en nog meer mueslirepen eten (als je eet, gaat je lichaam in verbrandingsmodus, dus warmte produceren – werkt altijd) dacht ik dat er een uurtje verstreken was. Toen ik op mijn horloge keek, zag ik dat het al één uur ‘s nachts was. Misschien had ik toch wel geslapen. Er waren nog steeds geen eekhoorns, helaas.

Om drie uur ontwaakte ik weer uit iets dat niet echt als slapen voelde. Om vier uur opnieuw. Mijn tenen waren niet warm meer. De wind was aangetrokken. Ik vouwde mijn tent om mijn benen. Meteen werden ze weer warm.

Ik dronk een kop thee en nam nog een mueslireep, maar mijn hele lichaam begon koud te worden. Ik kon weer wat eten, mezelf helemaal in mijn tent rollen en het nog wel even uitzingen, of teruglopen. Ik koos voor uitzingen. Dat hield ik vijf minuten vol. Toen dacht ik: doe niet zo dom, ga terug.

In mijn spoor van de vorige middag liep ik langs de berg en door het moeras terug. Na een kwartier wandelen was ik weer warm en om zeven uur ‘s ochtends, achttien uur later, was ik thuis. Ik had deze blog ook ‘Achttien uur bij gevoelstemperatuur -30’ kunnen noemen, maar dat klinkt niet zo lekker.

Ik vond het best leuk, eigenlijk. Vooral het Walden-Pond-bij-het-kampvuur-gedeelte, de ondergaande zon en de volle maan.

Met een windscherm, een extra isolatiematje en een stevige avondmaaltijd had ik waarschijnlijk gewoon lekker geslapen. Het was niet gevaarlijk en het was maar een paar uur oncomfortabel.

Pas toen ik in mijn warme bed lag, voelde ik hoeveel energie de kou en het slaaptekort hadden gekost. Ik sliep bijna de hele volgende dag en moest daarna nog twee dagen bijkomen, met flinke eetbuien en middagdutjes. Ik vind het fascinerend hoe ik dit mentaal allemaal heel rustig en gecontroleerd doe terwijl mijn lichaam in de fik staat. Ergens is dat gezond – fijn dat mijn geest het allemaal onder controle denkt te hebben. Ergens is dat ongezond – arm lichaam. Gelukkig bestaat mijn geest uit meerdere dimensies, zodat die ook kan bedenken dat het verstandig is om goed uit te rusten. Ik denk soms nog steeds dat ik een avonturier ben die extreme dingen aankan. En mijn lichaam blijft maar protesteren met blessures en ziek, zwak en misselijk zijn.

Inmiddels ben ik weer fit en uitgeslapen. Dit was maar twintig uur van de drie weken. Er gebeurt nog veel meer, maar dat is magie van een andere orde (update: ik ben niet aan het daten), dus daar wijd ik volgende week een aparte blog aan.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s